HISTORIEK “SINT-LAMBERTUSKERK” EIKEVLIET

(bron : Geschiedenis der Gemeente Hingene door L Mees – 1894)

Het bekendste dorpsbeeld met ons leven vergroeid, is de kerk.

Het kerkgebouw, de trouwe oude dorpstempel bergt de geheime bundels van historische waarden. Onze St.-Lambertuskerk heeft haar eigen geschiedenis. De plaats van haar bestaan en de nederzetting van het oeroude "Eycke" trekt ons eeuwen terug.

Oude geschiedschrijvers meldden dat in Eikevliet sedert onheuglijke tijden een kapel was opgericht, toegewijd aan de Heilige Lambertus, bisschop en martelaar.

In deze kapel werd op zon- en heiligdagen een mis gecelebreerd.

In het werk van M. Wauters , "Histoire des environs de Bruxelles”

staat geschreven dat de kape1 van Eikevliet toegewijd was aan de Heilige Lucia en dat deze kapel in de 16de eeuw afgebrand is geweest door de geuzen.

Zij werd opnieuw gerestaureerd en de kloosterlingen van St. Bernard celebreerden er tot in het jaar 1616 totdat ze hun oud klooster weer gingen bewonen. De Eikevlietenaren verlangden dan dat de pastoor van Puurs op zon- en heiligdagen de mis zou komen lezen in de kapel. Op 6 september 1668 stond men hem de inkomsten van de kapelnij toe. Een helft daarvan werd toegestaan aan Nattenhaasdonk. Aldus Wouters.

Doch is de uitdrukking “een helft” onnauwkeurig.

In de Eikevlietse kapel werden er wekelijks drie missen gecelebreerd, waarvan twee door de pastoor van Puurs en één door de pastoor van Nattenhaasdonk. Deze laatste had dus maar 1/3 deel van de inkomsten.

Omstreeks 1650 had men te Eikevliet te kampen met gewelddadigheden van de Lorreinen, die de kelk van de kapel hadden gestolen. Pastoor Lenaard Boots kon deze kelk terug in ons bezit brengen voor de som van vier gulden en zestien stuivers. De eerste dienstdoende priester in onze parochie was Jan Sterck, pastoor te Hingene (1550). Daarna hebben wij Philip De Meyer, kapelaan in 1555 en na hem Gerardus Van Schellebroeck (1599-1602). Lenaard Boots deed de mis in de kapel rond de jaren 1645, en zeven jaar later in 1652 kenden we Niklaas van Sint-Truyen.

Van 1656 tot 1661 had men Martinus Roelants van Grimbergen. Daarna had men Petrus Mehouden, pastoor van Puurs als dorpsherder (1662-1681) . Tijdens de periode van de Heer Philip Van de Voorde, pastoor van Puurs, vroegen de inwoners van Eikevliet een priester, die bij de kapel zou wonen. De hoogwatergetijen van de Vliet waren er dikwvijls de oorzaak van dat de pastoor niet op tijd zijn geestelijke bedieningen kon verrichten. Maar hun vurige wens bleef onbeantwoord. In het begin van de 18de eeuw was J. Van der Linden kapelaan te Eikevliet. In 1716 komt als kapelaan Judocus Van der Iieyden en in 1719 treffen we Egidius Cools aan. Deze drie geestelijken waren geen pastoors of onderpastoors van Puurs.

Op 19 januari 1719 stuurden de inwoners van Eikevliet een vertoog aan de aartsbisschop. Zij verlangden dat de opbrengst van de Koolputtenbeemd aan de pastoor van Nattenhaasdonkzo onttrokken worden zolang hij kapelaan was van het Fort Margriet en dit ten voordele van de pastoor van Puurs. Op 26 oktober 1721 werd er een nieuwe overeenkomst gesloten tussen twaalf inwoners van Eikevliet en de pastoor van Puurs, Lodewijk Frans Verbruggen. "Behalve de wekelijkse missen moest de onderpastoor van Puurs nu ook op zon- en heiligdagen biecht horen en naar gelegenheid lof' houden en cateche-selessen geven."

Voor het vergoeden van deze diensten betaalde men hem 160 gulden per jaar. Dit bedrag kwam grotendeels tot stand door gif'ten van de parochianen.

De pastoor van Nattenhaasdonk behield het vruchtgebruik van de Koolputtenbeemd met de daaraan verbonden last van een wekelijkse mis. Van dan af tot in 1803 werd in de kapel van Eikevliet geregeld een mis gecelebreerd door de onderpastoor van Puurs. Dit hadden ze zeker verdiend, want sinds het ontstaan van de kapel, hadden de Eikevlietenaren de geestelijken herhaalde malen moeten af'bedelen.

De jaarlijkse toelage van de Gemeente, die men in 1672 van 25 op 15 gulden bracht, werd in 1770 aan de dienstdoende pastoor van Puurs onttrokken en zou nu moeten dienen voor het onderhoud van de kapel.

Door een besluit, genomen door onze wetshouder op 20 april 1773 werd het aan Jan Van Hoornissen, de kapelmeester,verboden geld van de inkomsten te geven aan de priester, die op zon- en heiligdagen de mis deed. Al deze inkomsten zouden besteed moeten worden aan herstellingswerken en aan onderhoudswerken van onze dorpskapel.

Een handschrift van 13 november 1787, vermeldt dat Eikse Amer en Sauvegarde onder de geestelijke bediening van de Eikevlietse kapel stonden.

Op 19 april 1792 verklaarde de abdij van Sint-Bernardus van Bornem op aanvraag van griffier van Goethem, dat Klein-Mechelen zou ingelijfd worden bij het geestelijk Eikevliet. Aanvankelijk verzetten de inwoners van Klein-Mechelen zich hier tegen en zij stuurden een protestbrief op 11 november 1792. Maar na enige tijd beseften ze dat het voor hen gemakkelijker was naar Eikevliet de mis te komen bijwonen dan naar Puurs te gaan, dit omdat de hoge watergetijen van de Vliet hen wel eens parten speelden. Ze trokken hun protestbrief dus in.

De kapel van Eikevliet was in de tweede helft van de 18de eeuw bouwvallig geworden. De wethouders en de inwoners van geestelijk Eikevliet kloegen hierover aan de abdijen van Bornem en Affligem en ze eisten het oprichten van een nieuwe kerk. In maart 1778 deed men de laatste mis in de kapel. Dezelfde maand nog werd de kapel afge- broken maar de toren liet men ongeschonden. Op 5 juni 1778 werd de eerste steen gelegd. Het werk ging zo snel vooruit dat men reeds op

16 november van dat jaar de eerste mis deed in de nieuwe kerk. Een jaar later werd deze kerk plechtig tot een oratorium gewijd ter ere van de Heilige Lambertus door Johannes Henricus Van Frankenberg, kardinaal en aartsbisschop van Mechelen. Bekijk nu zelf het torengebouw als rechtlijnige historische overlevering van eeuwen strijd om zijn bestaan.

Nu volgt een,beschrijving van onze St.-Lambertuskerk. Volgens deskundigen zou onze toren opgericht zijn rond het jaar 1500. Hij is het enige bouwwerk volgens de gotische spitsbogenstijl in de Gemeente Hingene. Deze toren werd rond 1600 door de geuzen afgebrand. In 1685 is hij van een nieuwe naald voorzien.

In 1876 werd er tussen de staat en de provincie overeengekomen om

een nieuwe naald te bouwen maar de gemeente stemde tegen wat tot gevolg had dat er slechts enkele herstellingswerken aan de toren aangebracht werden.

De nog bestaande doopvont en bergplaats werden in 1836 gebouwd tegen de noord- en zuidzijde van de kerk. Heel zeker was dit een praktische aanbouw maar architectonisch werd hierdoor een groot gedeelte sierlijkheid rond de toren voorgoed weggeborgen.

Als laatste aanbouwing werd de sacristie opgericht. Deze werd gebouwd in 1876, ter vervanging van het vroegere bouwvallige bijgebouw dat onder pastoor De Meyer in 1814 was opgetrokken. Voor die tijd was er geen sacristie en kleedden de priesters zich aan achter het altaar.

Ook de omheining van het kerkhof is door vele etappes geleidelijk veranderd. In 1873 werd de laatste hand gelegd aan de ommuring. Deze werken zijn betaald door Eikevlietenaren, de Kerk en de Gemeente Hingene.

Niettegenstaande in het jaar 1803 Eikevliet haar eigen priester had, was er nog steeds geen pastorij en de herder Van Inghelghem moest

dan weer bij de inwoners onderdak zoeken.

In 1807 bouwde Frans Jan Caluwaerts op het kerkhof een pastoors- huis. Enkele rijke Eikevlietenaren betaalden deze bouwwerken.

In 1847 werd een nieuwe pastorij opgericht naar het plan van Frans Drossaert, een bouwmeester uit Tienen.

Door de jaren heen zijn er nog vele veranderingen aangebracht aan deze pastorij die ooit de woning is geweest van de volgende priesters :

Onze pastoors geweest:


Van Inghelghem:1811-1836

M.J. De Meyer:1836-1864

J.C. Keuleers:1864-1882

J.J. Van Der Linden:1882-1887

V. Van Laer:1887-1913

J.F. Crabbé:1913-1928

J.L. Bloquaux:1928-1953

L. Ceuppens:1953-1967

J. Smet:1967-1997

J. Vermeulen 1803 – 1811

(sinds 1997 heeft Eikevliet geen parochiepastoor meer)